De feestdagen staan weer voor de deur! Moet een werkgever de hierdoor gemiste vrije dagen van parttimers compenseren?

Het is alweer december. De gezelligste maand van het jaar! Voor veel werknemers ook een fijne maand vanwege de wat kortere werkweken. Maar wat als jouw vaste vrije dag op maandag valt, terwijl dat een officiële feestdag is (bijvoorbeeld Tweede Kerstdag)? Heb je dan recht op compensatie van die vrije dag? In deze blog bespreek ik deze vraag.

 

Wat zegt de wet?

Volgens de wet mag een werkgever geen onderscheid maken tussen werknemers op grond van een verschil in arbeidsduur. Dit betekent dus dat de werkgever zowel fulltimers als parttimers gelijk moet behandelen. Een onderscheid naar rato van de arbeidsduur is wel toegestaan. Het is immers logisch dat iemand die 4 dagen werkt minder krijgt dan iemand die 5 dagen werkt. Maar fulltimers profiteren meer van de vrije feestdagen dan parttimers die bijvoorbeeld op maandag hun vaste vrije dag hebben. Dit zou je kunnen zien als een onderscheid op grond van verschil in arbeidsduur. De wet zegt over deze specifieke situatie echter niks.

 

Wat zegt de rechtspraak?

Ook in de rechtspraak is nog niet definitief beslist of een parttimer gecompenseerd moet worden voor een officiële feestdag die precies valt op zijn of haar vrije dag. Het College voor de Rechten van de Mens heeft wel een oordeel gegeven over deze kwestie. In september van dit jaar deed het College uitspraak in een zaak die was aangespannen door een werkneemster van Holland Food Service Vers-Panklaar B.V. Deze werkneemster werkte van dinsdag tot en met vrijdag en had dus op maandag haar vaste vrije dag. Omdat de meeste feestdagen verhoudingsgewijs op een maandag vallen, profiteerden haar collega’s meer van deze feestdagen dan de werkneemster. De werkneemster heeft daarom compensatie aan haar werkgever gevraagd. De werkgever heeft dit geweigerd, omdat de werkneemster er zelf voor heeft gekozen om op maandag niet te werken. De werkneemster klaagt haar werkgever daarom aan voor discriminatie op grond van arbeidsduur.

Het College voor de Rechten van de Mens heeft in 2011, 2012 en 2021 al bepaald dat de officiële feestdagen die op maandag vallen, voor parttime medewerkers tot een nadeel kan leiden. Ook in deze zaak van afgelopen september kwam het College tot die conclusie. Het is aan de werkgever om hier rekening mee te houden en ervoor te zorgen dat parttimers net zoveel profiteren van de feestdagen als de fulltimers. In deze zaak kwam het College tot de conclusie dat met de huidige werkwijze van de werkgever, de werkneemster werd benadeeld in haar vrije uren en dus verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van arbeidsduur.

 

Het jaarurensysteem

Het College kwam in deze zaak met een alternatief werksysteem, waardoor geen of minder onderscheid wordt gemaakt op grond van arbeidsduur. Dit is het jaarurensysteem. Met dit systeem krijgt elke werknemer naar rato van het aantal uren dat de werknemer per week werkt, hetzelfde aantal vrije (feest) dagen. Dit systeem is al in diverse cao’s ingevoerd.

 

Niet bindend

Het is goed om te weten dat de oordelen van het College voor de Rechten van de Mens niet juridisch bindend zijn zoals een oordeel van de rechter dat wel is. Het College kan niks verplichten. Maar rechters houden in hun vonnissen wel rekening met een dergelijk oordeel van het College. Weet dus dat je als parttimer niet mag worden benadeeld in je vrije uren als een feestdag op je vaste vrije dag valt. Wellicht is het voor werkgevers die daar nog niet mee werken, niet zo’n gek idee om over te gaan op een jaarurensysteem.

Mag mijn verhuurder mijn energiekosten verhogen?

De energieprijzen schieten door het dak heen en daar heeft de huurbaas natuurlijk ook last van. Vervolgens krijg jij als huurder te horen dat je huurbaas de gestegen energieprijzen door gaat berekenen in jouw huurprijs, maar kan dit zomaar? Het heeft allemaal te maken met het verschil tussen all-in huur en kale huur met servicekosten.

All-in huur

All-in huur betekent dat je een vast maandbedrag betaald aan je verhuurder, maar verder niet weet welke bedragen precies gaan naar kale huur, servicekosten en energiekosten. In je contract staat enkel dat je bijvoorbeeld 500 euro per maand betaald, verdere verdeling van deze 500 euro ontbreekt. Mocht je willen weten welke bedragen naar de huur, servicekosten en energiekosten gaan, kan je dit opvragen bij je verhuurder. Jij en je verhuurder kunnen samen de all-in huur splitsen en tot een kaal huur bedrag en een servicekosten bedrag komen. Dit kan handig zijn, aangezien je bij all-in huur niet weet of je verhoging van de huur klopt of dat je eindafrekening van de kosten voor energie kloppen. Maar in deze bijzondere tijd kan juist de all-in huurprijs een klein gelukje zijn voor huurders, daarover later meer.

 

Kale huur met servicekosten

Het woord zegt het al, bij kale huur betaal je alleen de huur van de woning zelf. Los daarvan betaal je servicekosten aan je huurbaas. Deze servicekosten houden reparaties in en dus ook het gas, water en elektriciteit (nutsvoorzieningen) die je verbruikt. De servicekosten zijn altijd een vast maandelijks bedrag dat je samen met de kale huur betaalt. Dit is een voorschot op wat je daadwerkelijk gaat verbruiken aan servicekosten in een jaar. Dit voorschot kan uiteindelijk hoger, maar ook lager uitvallen.

 

Wat betekent dit verschil in huurbetaling?

Aan het eind van het jaar krijg je een eindafrekening, waaruit wellicht blijkt dat de daadwerkelijk gemaakte kosten voor energie hoger zijn uitgevallen dan wat jij qua energie hebt betaald aan je huurbaas. Je huurbaas wilt graag dat je dit verschil bij betaalt.

Bij een all-in huurcontract kan dit niet, je betaald al een vast bedrag per jaar waar niet van afgeweken kan worden. Ook is je kale huur niet bekend, dus je zou niet kunnen checken of je daadwerkelijk te weinig heeft betaald voor uw energiekosten. Een eindafrekening sturen mag dus niet. Je kan dus nu minder voor de energiekosten aan het betalen zijn, dan daadwerkelijk nodig is. Een leuk meevallertje in deze tijd. Het kan echter ook zo zijn, dat je in de praktijk meer betaalt dan wat je verbruikt. Dit kan je bij een all-in huur dan helaas niet terugvragen.

Bij kale huur met servicekosten mag de verhuurder wel een eindafrekening sturen. Als de huurbaas de eindafrekening verstrekt, mag hij de servicekosten verhogen als de daadwerkelijke kosten voor energie hoger zijn uitgevallen dan het voorschot. Zonder verstrekking van de eindafrekening dus niet.  Andersom kan je, bij een eindafrekening waar de daadwerkelijk gemaakte kosten lager zijn uitgevallen dan wat je hebt betaald aan servicekosten, dat verschil ook terugvragen van je huurbaas.

Kijk dus goed in je contract hoe jij je huur hebt afgesproken met je verhuurder, het zou je nu een hoop geld kunnen schelen!

Burgerinitiatief abortus

Abortus provocatus betekent het opzettelijk afbreken van een zwangerschap. Wereldwijd is dit een gevoelig onderwerp waarover veel meningsverschillen bestaan. Dat het onderwerp veel discussie en emotie teweegbrengt, blijkt na de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof van afgelopen juni. In deze uitspraak verwerpt het Hooggerechtshof de Amerikaanse abortuswet die was gebaseerd op de uitspraak van het Hooggerechtshof in 1973, welbekend als Joe v. Wade. In Roe v. Wade heeft het Hooggerechtshof beslist dat de Amerikaanse grondwet bescherming biedt aan het recht van de vrouw op abortus voordat haar foetus levensvatbaar is. Sinds de intrekking van Roe v. Wade in juni, is het recht op abortus niet langer landelijk veiliggesteld en is de wetgeving terug in de handen van de Amerikaanse staten. De uitspraak van het Hooggerechtshof leverde veel tranen op. Bij de één waren dit tranen van geluk en bij de ander van verdriet.

Ook in Nederland bestaan vraagstukken rondom abortus. Sinds 1984 is abortus in Nederland tot 24 weken in de zwangerschap legaal. Abortus staat echter opgenomen in het Wetboek van Strafrecht onder artikel 296. Abortus is dus in essentie een strafbaar feit, waar een uitzondering voor kan worden gemaakt. Er is een tegenbeweging die van mening is dat abortus niet langer in het Wetboek van Strafrecht moet staan, maar onderdeel hoort te zijn van het reguliere zorgstelsel. Met dit uitgangspunt is het Humanistisch Verbond samen met BBNVARA een burgerinitiatief gestart onder de slogan ‘Abortus is geen misdaad’. Het doel van dit burgerinitiatief is om abortus uit het Wetboek van Strafrecht te krijgen.

Op 22 november heeft de commissie voor de Verzoekschriften en Burgerinitiatieven het burgerinitiatief ‘Abortus is geen misdaad’ in ontvangst genomen. Het burgerinitiatief is maar liefst 93.689 keer ondertekend. Aan een burgerinitiatief zitten enkele voorwaarden verbonden die door de commissie getoetst zullen worden. Het burgerinitiatief moet ondersteund zijn door minstens 40.000 mensen. Deze mensen moeten een Nederlandse identiteit hebben en minstens 18 jaar oud zijn. Daarbij is vereist dat het onderwerp nieuw is en niet in de afgelopen twee jaar in de Tweede Kamer aan de orde is geweest. Een uitzondering is mogelijk in het geval dat er nieuwe feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen. Als aan alle voorwaarden is voldaan, wordt het voorstel in behandeling genomen. Dit kan op verschillende manieren. De Tweede Kamer kan de indieners van het voorstel uitnodigen om het voorstel mondeling toe te lichten in bijvoorbeeld een commissievergadering of zelfs in de plenaire vergadering.

Uiteindelijk wordt er gestemd over het voorstel. Wanneer de meerderheid van de Kamerleden instemt met het voorstel, zal aan de verantwoordelijke minister gevraagd worden om het beleid te veranderen. Hoe er uiteindelijk over het burgerinitiatief ‘Abortus is geen moord’ gestemd zal worden, zal moeten blijken nadat de commissie voor de Verzoekschriften en Burgerinitiatieven heeft getoetst of het aan alle voorwaarden voldoet.

Is het mogelijk om je werkgever aansprakelijk te stellen voor een burn-out?

Door de toenemende stress en drukte in onze huidige samenleving, neemt het aantal burn-outs onder werkenden de afgelopen jaren aanzienlijk toe. Een burn-out kan onder meer veroorzaakt worden door werkomstandigheden, zoals een werkgever die de werkdruk te hoog legt of interpersoonlijke problemen (werkrelaties, gebrek aan sociale steun, pesten of arbeidsconflicten). In sommige gevallen kan een werknemer zijn werkgever aansprakelijk stellen voor zijn burn-out. Hoe dit precies zit, lees je in dit blog.

Volgens artikel 7:658 uit het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), kan een werkgever aansprakelijk worden gesteld voor de schade die een werknemer heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Hierbij staat de zorgplicht centraal: de werkgever heeft een zorgplicht jegens zijn werknemers en heeft dus de verplichting om het arbeid en werkplek van de werknemer zodanig te organiseren dat de werknemers geen schade lijdt. De werknemer staat bij bedrijfsongevallen waar de werknemer fysiek letsel heeft opgelopen, vrij sterk. Het is immers makkelijk om te bewijzen dat er sprake is lichamelijk letsel. 

Naast fysiek letsel kan een werknemer ook psychisch letsel oplopen door zijn werkzaamheden. In 2005 heeft de Hoge Raad in het arrest ABN Amro/Nieuwenhuys geoordeeld dat de zorgplicht van art. 7:658 BW ook van toepassing is op psychisch letsel. Een burn-out kan dus vallen onder ‘psychisch letsel,’ waardoor de werkgever onder omstandigheden hiervoor aansprakelijk kan worden gesteld. Zo moet er worden aangetoond dat er sprake is van een causaal verband; de burn-out moet het gevolg zijn van de werkzaamheden die de werknemer moet verrichten.

Voor de werkgever is het van belang dat hij voldoende doet om te voorkomen dat de werknemer een burn-out krijgt. Uit de wet volgt niet specifiek op welke manier de werkgever overbelasting kan voorkomen, wel volgen er bepaalde verplichtingen uit de Arbeidsomstandighedenwet en de Arbeidstijdenwet. Het is voornamelijk van belang dat de werkgever een veilige sfeer op de werkvloer creëert en per persoon aankijkt wat de werknemer aan kan, en wat niet. Een werkgever zou onder andere een vertrouwenspersoon aan kunnen stellen.

In de praktijk komt het echter niet vaak voor dat een werknemer met succes zijn werkgever aansprakelijk kan stellen. Een werknemer moet namelijk aantonen dat zijn burn-out hoofdzakelijk is veroorzaakt door bepaalde werkomstandigheden, en niet het gevolg is van andere (privé) factoren. Een brief van een psycholoog of huisarts met de diagnose ‘burn-out’ is vaak te pril, en wordt niet geaccepteerd door de rechter. Met de toename van burn-outs zal de druk op de werkgever om hier verantwoordelijkheid voor te nemen groter worden. Wellicht zal er in de toekomst meer jurisprudentie over komen.

Hoe ver strekt de informatieverplichting van een plastisch chirurg?

Enkele maanden geleden is door de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak met betrekking tot de aansprakelijkheidsstelling van een chirurg door een patiënt. De patiënt stelde de arts aansprakelijk aangezien enkele maanden na het ondergaan van een borstvergrotingsoperatie bij deze patiënt zeldzame littekens op haar borst verschenen. Uit deze zaak wordt duidelijk wat nu precies de plicht van de arts is als het gaat om het verstrekken van informatie aan de patiënt voorafgaand aan een operatie.

Mevrouw stelt dat zij, voorafgaand aan de operatie, niet of onvoldoende is geïnformeerd over de aard en het doel van de behandeling en over de te verwachten gevolgen en risico’s. De arts voert het verweer dat hij aan mevrouw, voorafgaand aan de operatie, schriftelijke informatie heeft verschaft waarin zij is gewezen op de littekens en hoe deze zich kunnen ontwikkelen. Het risico op het ontstaan van deze specifieke littekens is zo klein (1%) dat daar volgens de arts niet op hoeft te worden gewezen. Bovendien voert de arts aan dat, zelfs al zou mevrouw zijn geïnformeerd over de kleine kans op deze zeldzame littekens, het niet aannemelijk is dat zij van de ingreep had afgezien.

Een ‘hulpverlener’ heeft op grond van artikel 7:448 BW de wettelijke plicht om een patiënt op duidelijke wijze in te lichten over de voorgestelde behandeling. Voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst is op grond van 7:450 BW toestemming van de patiënt vereist en een patiënt kan alleen toestemming voor een behandeling geven indien hij over de behandeling voldoende is geïnformeerd. De arts moet zich bij het verstrekken van informatie laten leiden door hetgeen de patiënt redelijkerwijs dient te weten ten aanzien van de te verwachten gevolgen van de operatie, de risico’s daarvan en over de vooruitzichten. De grootte van het risico kan hierbij ook een rol spelen.

De informatieplicht van de hulpverlener strekt er toe de patiënt in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken voor het al dan niet ondergaan van de behandeling. Het is aan de patiënt om te stellen, en zo nodig bewijzen, dat zij indien zij op een juiste wijze was geïnformeerd zijn niet zou hebben gekozen voor de behandeling.

In de bovengenoemde zaak, waarin een patiënt wegens het ontstaan van de littekens de arts aanspreekt, heeft de Rechtbank geoordeeld dat niet vast kan worden gesteld dat de arts tekort is geschoten in de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Voorafgaand aan de operatie is mevrouw schriftelijk geïnformeerd over de operatie en de mogelijke gevolgen en risico’s daarvan. Zij heeft twee toestemmingsformulieren ontvangen en ondertekend waarin onder andere stond: “Littekens na een dergelijke operatie zijn onvermijdelijk”. Ook indien mevrouw wist dat er 1% kans was op deze littekens dan betwijfelt de rechter zeer of zij af zou hebben gezien van de operatie. Uit haar uitlatingen is volgens de rechter duidelijk op te maken dat mevrouw de operatie erg graag wilde. Zij is bovendien gewezen op het mogelijk kunnen scheuren van silliconenimplantaten en zij is daarmee akkoord gegaan terwijl dit een ernstigere complicatie is dan littekenvorming.

Het is dus van groot belang dat een arts voorafgaand aan de operatie alle nodige informatie aan de patiënt verstrekt, zodat de patiënt een weloverwogen keuze kan maken voor het al dan niet ondergaan van een medische behandeling. Doet de arts dit niet of onvolledig dan is de kans groot dat hij niet onder aansprakelijkheid uit kan komen. Wordt er namelijk geen of onvoldoende informatie verschaft door de arts, dan is de patiënt niet in staat om toestemming te geven voor de medische behandeling. Op grond van artikel 7:450 BW is deze toestemming vereist. Gebreken in voorlichting door de arts brengen echter niet altijd mee dat de arts naar de patiënt aansprakelijk is voor eventuele schade die voortvloeit uit de behandeling. Het gaat alleen om die informatie waardoor een patiënt een weloverwogen keuze kan maken. Het ligt op de weg van de patiënt om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat als zij op een juiste manier was geïnformeerd de behandeling niet zou zijn ondergaan.